De accentuering van de verticale opwaartse lijn overheerst de gotiek, oprijzend naar de hemel toe. De gotiek was doordrongen
van christelijkheid en leefde vooral in de architectuur ten noorden van de Alpen. Ten zuiden van de Alpen spotte men met deze
voor hen wel wel erg vreemd en barbaars aandoende bouwstijl, totaal anders als de door hen zo geliefde antieken en romaniek. Maar
de gotiek won het buiten Zuid-Europa. In Duitsland leefde de stijl als vroeggotiek van 1220 tot 1250, hooggotiek van
1250 tot 1350 en ten slotte laatgotiek van 1350 tot 1520, wanneer de renaissance doorbrak. Buiten de architectuur
ontplooide de gotiek zich in vele kunstvormen tot de mode toe, hoewel niet zo strict omschreven. Merkwaardig is de
baksteengotiek in het hoge noorden van Duitsland. Deze ontstond samen met de gotiek in gebieden waar natuursteen niet
voldoende voorhanden was. Lübeck werd er het centrum van met de Marienkirche als parel bij uitstek. Het alternatief
van baksteen leefde na 1550 verder in de baksteenrenaissance.